A reproduction of an article on Dutch silversmiths in three parts by E. von Saher, director of the Museum of Applied Arts in Haarlem, that was published in 1897.
The article is in Dutch*, a rough English translation can be obtained by using Goggle Translate: https://translate.google.co.uk/
De Tegenwoordige Toestand der Nederlandse Goud en Zilversmidskunst en het Vakonderwijs, op dit Kunstambacht Betrekking Hebbende
Part 1:
Aan den Raad van Bestuur van het Museum van Kunstnijverheid te Haarlem.
In uwe vergadering van Juli 1896 werd mij opgedragen verslag uit te brengen omtrent de wenschelijkheid om aan de Haarlemsche Kunstnijverheidsschool een leer werkplaats ten dienste van hen, die later in een of andere richting der artistieke metaalbewerking wenschen werkzaam te zijn te openen en mij tevens in verbinding te stellen met enige, in ons land gevestigde, goud- en zilversmeden, die aan het hoofd eener werkplaats staan of die de leiding eener fabriek op zich hebben genomen, ten einde hunne gevoelens te vernemen of een leer werkplaats voor het drijven en ciseleeren in verband met de, op de school voor kunstnijverheid te geven, lessen in het teekenen, ontwerpen en boetseren, tot de artistieke ontwikkeling van het vak hier te lande zal kunnen bijdragen, alsook om te vernemen of een leerwerkplaats, zoals hierboven bedoeld, de sympathie der mannen van het vak wegdraagt. Wij hebben getracht aan deze opdracht te voldoen en verschillende specialiteiten in het vak persoonlijk bezocht, met andere zijn wij in correspondentie getreden, zoo onpartijdig mogelijk hebben wij de over deze zaak uitgesproken gevoelens van een ieder afzonderlijk weergegeven en als bijlagen aan dit verslag toegevoegd, terwijl uit Brussel, alwaar onlangs eene school voor goud-en zilversmeden werd opgericht en uit Luik, eene stad, die van oudsher bekend stond voor de aldaar vervaardigde degelijke en schoone werkstukken, eenige gegevens opgenomen werden.Bij het doorloopen dezer bijlagen zal het aan uw geacht College weldra blijken, dat de daarin uitgesproken gevoelens zeer uiteenloopen.Men diene echter met volgende omstandigheden rekening te houden: allereerst is dit verschil van gevoelen te beschouwen als een gewoon verschijnsel, daar toch op elk gebied van vakonderwijs in ons land en vermoedelijk ook daarbuiten voor- en tegenstanders van vakscholen gevonden worden en nog velen aan het leerlingstelsel op de werkplaats, hoe slecht het ook op enkele uitzonderingen na in vele vakken van lieverlede geworden zij de voorkeur geven. Vervolgens zijn er nog verschillende bijkomende omstandigheden, die onwillekeurig haren invloed op het uitgesproken oordeel zullen hebben uitgeoefend. Zoo zal een knap, ervaren artist-werkman, die aan het hoofd eener werkplaats staat on een bizonder cachet aan zijn werk weet te geven, het liefst zijn eigen werkkrachten kweeken, en zoo is het niet te verwonderen, dat een fabrikant, die in het centrum der goud- en zilverindustrie gevestigd is, als van zelve een vakschool, in zijne onmiddellijke omgeving wenscht, omdat men alsdan theorie en praktijk direct in verband kan brengen.Een fabrikant, geheel ingericht op courant werk, waarbij het artistieke gehalte der producten minder in aanmerking komt, zo een leerschool als geheel overbodig beschouwen, omdat hij de voor zijn doel noodige werkkrachten gemakkelijk op de fabriek kan aankweeken,omtrent de door enkele firma's tegen de vakschool uitgesproken bedenkingen, moge nog de volgende wederlegging aan het bovenstaande worden toegevoegd. De goede invloed, dien het verschil van opvatting en de verschillende wijze van werken der gezellen in een werkplaats op den leerling zal uitoefenen mag niet worden overschat, vooral in het geval dat de leerling bij een patroon werkzaam is, waar op stuk wordt gewerkt.De leerling zal zich alsdan zeker aan den invloed van den gezel, die zijn leermeester wordt, moeielijk kunnen onttrekken, hij zal diens routine overnemen en vaak, gelijk zijn leerbaas, jaren achtereen met hetzelfde werkstuk worden beziggehouden.De bewering, dat de leerling op de werkplaats een ruimere blik in het vak verkrijgt, kan alleen in zoo verre juist zijn, als het de eerste leerjaren betreft, gedurende den tyd dat de leerlingen der vakschool meer met het theoretische deel van het vak worden bezig gehouden. Als de leerling op de vakschool in het teekenen en boetseeren een degelijke artistieke opleiding heeft gekregen en wat de praktijk betreft de voornaamste onderdeelen, als het drijven, ciseleeren en graveeren met ernst heeft beoefend, zal hem de arbeid op de werkplaats eerst wel vreemd voorkomen, doch weldra zal hij zich in de eigenaardigheden der werkplaats weten te schikken en wat spéciaal het vak aangaat alles vlugger begrijpen en over het algemeen een gezonder oordeel hebben, dan de leerling, die zijne opleiding uitsluitend op de werkplaats heeft gekregen. Tevens wenschen wij er de aandacht op te vestigen, dat het zeer vaak voorkomt, dat indien door omstandigheden een leerling van patroon verwisselt, de nieuwe leermeester B. hem zegt: -Jongen, ik begrijp niet, wat je bij A. geleerd hebt?" en eerstgenoemde hem weder van voren af aan laat beginnen. Dat oud leerlingen, die den cursus op de vakschool hebben doorloopen, bij hunne intrede in de werkplaats, vaak niet beter werken, dan leerlingen, die twee jaar op een werkplaats of fabriek hebben doorgebracht, zal zeker voorkomen, wanneer laatstgenoemde leerlingen een routine in het vervaardigen van een speciaal onderdeel hebben gekregen; op de vakschool worden de leerlingen daartoe niet afgericht en het is te begrijpen, dat deze laatsten bij dergelijke werkzaamheden bij de eerstgenoemden ten achteren zullen blijven. Wij wenschen echter het nut van het leerlingstelsel op de werkplaats of fabriek niet te miskennen. Daar, waar degelijke werkkrachten voorhanden zijn en een humane en verstandige regeling van het leerlingstelsel is ingevoerd, kunnen zeker degelijke werkkrachten worden gekweekt. Wat het hier besproken kunstambacht betreft, waarbij de artistieke ontwikkeling der leerlingen, het teekenen, ontwerpen, boetseeren, en zeker ook de behandeling van het materiaal, als b.v. het drijven, en het graveeren, waarbij het ontwikkelen eener gevoelige hand en het oefenen van het oog, dat scherp moet kunnen onderscheiden, hoofdzaak is, zijn twee categoriën van werkkrachten noodig, ten eerste de artistiek ontwikkelden, ten tweede zij, die op een of ander gebied van het vak een technische routine hebben aangeleerd. Voor deze laatsten is de werkplaats of de fabriek, met de in verschillende steden voorhanden zijnde teekenavondscholen voldoende. Voor eerstgenoemden zijn de vakscholen voorloopig onmisbaar, omdat de werkplaatsen, alwaar de patroons een degelijke artistieke opleiding in hun vak ontvangen hebben, steeds schaarscher worden. Wat de vakopleiding dezer beide categoriën betreft is het zeker bezwaarlijk aan eens ieders wenschen te gemoet te komen, terwijl om een juist oordeel over den toestand te verkrijgen, men het algemeen belang in het oog moet houden en dus den toestand in zijn geheel moet overzien. Enkele gegevens werden door ons bijeengebracht, die, ofschoon zij geen aanspraak op volledigheid kunnen maken, aangevuld met de, bij dit stuk gevoegde, bijlagen, eenig licht zullen werpen op den tegenwoordigen toestand. Omtrent de centra der zilversmidsindustrie in ons land, Friesland en Schoonhoven, hebben wij eenige meer uitgebreide gegevens bijeengebracht, ten einde den tegenwoordigen toestand in het juiste licht te stellen, van het kunstvak, dat in vroegere eeuwen aldaar in zoo hoog aanzien stond en dat, indien het bloeit, niet alleen rijke bronnen van inkomsten doet vloeien, doch dat tevens eenen aangenamen en nuttigen werkkring aan duizenden schenkt. Ons overzicht beginnende zullen wij het treurig tijdperk van het begin dezer eeuw tot 1850 stilzwijgend voorbijgaan. In genoemd jaar bestond in Rotterdam de Firma Grebbe en Glazener, beide knappe drijvers, die verschillende belangrijke werkstukken hebben vervaardigd. Bedriegen wij ons niet, dan bevinden zich op dit oogenblik in de R. K. Kerk, Hoogstraat, aldaar, eenige hunner werken, onder anderen een zilveren missaalomslag en de in zilver gedreven omlijsting van de voorstelling der Gorkumsche martelaren. Van den stijl en het karakter van hun werk, kan men dus een overzicht krijgen. Glazener had zijn vak in Londen geleerd en was voornamelijk voor het ornamentale werk, terwijl Grebbe het figurale gedeelte op zich nam. In zooverre ons bekend is, zijn de thans in Rotterdam bestaande werkplaatsen uitsluitend ingericht voor het gewone zilverwerk en schepwerk, voor het overige bepaalt het bedrijf van den gouden zilversmid zich tot reparatie werkplaatsen en den winkelier. In dit tijdperk maakte men in Amsterdam voornamelijk het eenvoudige, gladde werk met parelrand en uitgezaagde versiering; hieraan werd echter bijzondere zorg besteed, zoodat de uitvoering onberispelijk goed kan genoemd worden. Zij, die zich daartoe geroepen gevoelden, konden des avonds aan de Rijks-Academie, onder leiding van den Heer Bing, les in het ornament-tekenen en onder die van den beeldhouwer Royer les in het boetseeren krijgen. Het vervolg der Amsterdamsche toestanden zal men in het verslag der besprekingen met de aldaar gevestigde vakmannen vinden. Ten slotte moge hier nog worden vermeld, dat op het oogenblik in Amsterdam werkkrachten voorhanden zijn, die tot de beste kunnen gerekend worden en dat er zoowel het ciseleeren en drijven als het zetten van steenen meesterlijk wordt uitgeoefend.Deze werkkrachten houden zich echter uitsluitend bezig met het vervaardigen van kostbare werkstukken, voornamelijk goud, die voor het grootste gedeelte als antiek werk naar het buitenland verzonden worden. In menige buitenlandsche verzameling vindt men oude, kostbare familiestukken(?) die voor betrekkelijk korten tijd binnen Amstel's veste vervaardigd werden. Wat het drijven van antiek koperwerk aangaat, heeft Amsterdam eveneens een zeer uitgebreide industrie. De beide firma's te 's-Gravenhage Saakes en Reeser, wier advies in de bijlagen voorkomt, zijn wel de voornaamste aldaar gevestigde goud- en zilversmeden; de overigen bepalen zich tot reparatie werk, terwijl de Koninklijke fabriek van Goud en Zilverwerken van de Heeren van Kempen en Zonen te Voorschoten, aldaar, een groot magazijn gevestigd heeft. De, uit Utrecht ontvangen, adviezen zullen eveneens van den toestand van het vak, aldaar, voldoende inlichtingen geven.Voor dat wij ons overzicht besluiten moge vooraf hier nog herinnerd worden aan den, in 1896, door de Vereeniging ter Bevordering van de belangen van den Boekhandel uitgeschreven prijsvraag, bestreden uit de rente van het D. A. Thiemefonds. Gevraagd werd : een stuk gedreven zilverwerk in Oud Hollandschen stijl. De uit te keeren premie bedroeg f 200. - en de inzendingen bleven het eigendom van den inzender. Hierop zijn ingezonden vier werkstukken: Een beker. Een kan. Een schotel. Een borstel met gedreven dekblad. Zegge vier stuks uit geheel Nederland! De jury heelt gemeend den prijs van f 200. - aan geen der ingezonden werkstukken te mogen toekennen, doch heeft het Bestuur van bovengenoemde Vereeniging in overweging gegeven aan de vervaardigers van beker en kan (die, zooals later bleek, beide door dezelfde hand waren vervaardigd) elk honderd gulden als belooning voor den verdienstelijken arbeid toe te kennen. Het is zeker zeer eigenaardig, dat de ingezonden werkstukken, die" op het Museum van Kunstnijverheid te Haarlem waren tentoongesteld, alle een zekere vaardigheid in de techniek verrieden, terwijl opvatting on samenstelling te wenschen overlieten. Van de kan willen we hier niet gewagen; het is een directe copie naar eene teekening van Christiaan van Vianen, die ofschoon verdienstelijk uitgevoerd, helaas, dezelfde fout in stabiliteit bezit als de teekening. Bij den beker liet de profileering te wenschen over; sommige overgangen als van kelk tot steel waren niet goed begrepen; ook de voet was niet in harmonie met het geheel. Toch waren in beide werken groote technische verdiensten, waarom dan ook de jury voor bovengenoemde belooning adviseerde. Wat den schotel betreft, hoe verdienstelijk ook het drijfwerk als techniek was uitgevoerd, zondigde deze wat algemeene samenstelling betreft, in vele opzichten; terwijl het modelé niet begrepen was en de ornamentale lijnen niet vloeiend waren. DE drijver van het dekblad van den ingezonden borstel heeft bewijzen geleverd het ornament goed te hebben bestudeerd; wat teekening en découpé betreft had het werk veel verdiensten, doch was van menige hardheid in de behandeling niet vrij te pleiten. Het gevoelige modelé, dat voor het zilver geeischt wordt, was niet aanwezig, terwijl het gekozen motief de karakteristieke eigenaardigheid van het materiaal miste, en zoowel in steen, hout of een andere grondstof kon worden uitgevoerd. Deze drijver zal zeker, wanneer hij zich toelegt op het bestudeereni der oude modellen en de beginselen daarvan in zijnen arbeid weet toe te passen, zeer verdienstelyk werk kunnen leveren. Van oorspronkelijkheid of het vinden van nieuwe modellen was hier geen sprake - het oude met goed begrip te vertolken en toe te passen werd alleen geeischt. Wij zien dus hoe ver wij er nog van verwijderd zijn eene zelfstandige uiting aan onze kunstproducten te geven. Zelfs wat het eerste geval betreft hebben wij kunnen opmerken, dat de eischen van de Vereenigiug voor de in Nederland aanwezige krachten te hoog waren gesteld. Wel een bewijs, dat er in ons land op dit gebied nog veel te doen overblijft en het zeker geen overvloedige weelde kan genoemd worden, indien vooreerst eene inrichting worde opgericht, alwaar jongelieden, die,daartoe roeping gevoelen, de eerste en noodzakelijkste beginselen van het vak kunnen aanleeren.
F r i e s l a n d
Sedert de vroegste tijden is Friesland wegens zijn degelijk en schoon zilverwerk bekend en de traditie van het vak heeft zich van meester op leerling overgeplant. Bij de herleving der welvaart, na de algemeene malaise, die ook ons land getroffen had, begon men aldaar de oude modellen weder te copieeren en niet alleen, dat daardoor de goede richting, techniek en opvatting bij de werklieden werden bevorderd, doch hunne werken, die zich alras overal verspreidden, oefenden een goeden invloed uit op den smaak van het publiek, die een zeer verkeerde richting had genomen. Een der voornaamste werkkrachten uit dit tijdperk, wiens naam nog steeds met dankbaarheid wordt herdacht, is de drijver Keikes, die als het ware de eerste kampioen voor de goede richting, de leermeester van het tegenwoordige geslacht kan genoemd worden, en die vele technieken bij het bewerken der edele metalen in gebruik meester was.ofschoon men niet kan ontkennen, dat in Friesland nog degelijke practische werkkrachten voorhanden zijn, is de toestand op het oogenblik niet bemoedigend. Voor de vakopleiding van den leerling wordt zeer weinig gedaan. Wat zijn practische opleiding betreft is hij, evenals elders, geheel van den patroon, bij wien hij aan het werk wordt gezet, afhankelijk. Heeft hij het geluk bij een knap en humaan man in de leer te komen, dan zal hij een geroutineerd werkman worden. De artistieke opleiding, die bij uit vak zulke hooge eischen stelt, wordt echter op het oogenblik zeer verwaarloosd. De oude modellen worden veelal mechanisch gecopiêerd, waarbij van de routine van het vak en de traditioneele opvatting van den werkman meer dan van zijn artistieke vorming gevergd wordt, doch zoodra het er om te doen is iets nieuws te ontwerpen of zelfs maar de oude modellen op een veranderde wijze in toepassing te brengen, dan bemerkt men eerst, hoe treurig het er mede gesteld is. Het is toch aan ieder wel duidelijk, dat men niet steeds op het oude kan blijven teren en ofschoon op het oogenblik de vraag naar (modern) oud-zilverwerk voor den antiqiteitenhandel van het continent en voor Engeland en Amerika nog steeds blijft aanhouden, toch valt het niet te ontkennen, dat de productie van dit artikel hier te lande van lieverlede afneemt. Ons word door een bekwame werkkracht medegedeeld, dat een goed stuk werk oogenblikkelijk moeielijk geplaatst kon worden. Als het getij verloopt, moet men de bakens verzetten en indien men de zilversmidskunst in ons land wil doen bloeien, dan zal men genoodzaakt zijn, gelijk onze voorouders dat deden, zelve modellen te ontwerpen, die aan de eischen van onzen tijd, aan onze zeden en gewoonten beantwoorden. Dan zullen niet weer zoo als thans voor het grootste gedeelte, quasi-antieke pronkstukken, die in kasten blijven opgesloten, door deze industrie vervaardigd worden, doch zij zal eerlijk voor den dag komen met werkstukken, voor het dagelijksch gebruik bestemd, waardoor de omvang van het fabrikaat zeker zal toenemen. Hiertoe is echter de artistieke vorming van den werkman noodzakelijk. Thans is in Leeuwarden één drijver werkzaam, en is ons vermoeden juist, dan kan deze de Nestor der zilversmeden in ons land genoemd worden. Van Erp werkt met zijn zoon Paul en één leerling; zijn werkplaats is nog op de oude wijze ingericht. Buiten den handpletmolen en de trekbank zijn er geen machinerien op zijn werkplaats voorhanden, daar al het werk uit de hand gemaakt wordt. Hij is al sinds 45 jaar als patroon gevestigd; vóór dien tijd heeft hij wat van de wereld gezien en zijn vak in verschillende plaatsen geleerd en beoefend. Op 17-jarigen leeftijd, nadat hij de teekenkunst reeds beoefend had, ging hij naar Boxweit, N.B. om zich bij den drijver Boekmeulen, alwaar hij vijf jaar vertoefde, verder in zijn vak te bekwamen. Vervolgens was hij gedurende één jaar in Antwerpen en één jaar in Brussel werkzaam en vertrok toen naar Parijs. De omwenteling van 1848 noodzaakte hem naar Nederland terug te keeren en hij kwam bij de firma van Kempen, toenmaals nog te Utrecht gevestigd, aan het werk. Nadat rustiger tijden waren aangebroken keerde van Erp naar Parijs terug, doch na nogmaals eenigen tijd aldaar te hebben vertoefd, trok zijn vaderland hem zoodanig aan, dat hij daarheen terugkeerde en zich in Leeuwarden vestigde. Veel schoon werk werd en wordt nog door hem vervaardigd, voor het grootste gedeelte in zilver, zooals kerksieraden, koffieserviezen en allerhande klein werk, dat vaak anderen naar zijne modellen, op kunstmatige wijze voor den handel namaken. In het geheel zijn in Leeuwarden gevestigd twee fabrikanten met p.m. 40 gezellen, die voornamelijk goud verwerken, terwijl er nog 6 kleine bazen zijn. De firma Attema, die met 80gezellen werkt, vervaardigt hoofdzakelijk gouden sieraden van fijnere kwaliteit en oorijzers. De firma Nolet-Adema staat eveneens bekend goed werk te leveren. In 1895 werd aldaar 51857 gram goud 55160 gram zilver verwerkt. Wat het teekenonderwijs betreft, is de toestand als volgt: Het Bestuur der Ambachtsschool te Leeuwarden heeft de teekenzalen der school welwillend ter beschikking gesteld van het Wijckerhold Bisdomfonds, dat onder beheer van Jhr. Mr. D. O. Engelen, thans te Zutphen wonende, staat. Ten laste van dit fonds wordt gedurende het winterhalf jaar sinds 1882 elke week 3 avonden telkens van 7 — 9 uur uitsluitend vakteekenonderwijs gegeven aan 118 leerlingen, waaronder een twintigtal meisjes, die den leeftijd van 17 jaar bereikt hebben. Van deze 118 ambachtslieden zijn een tiental goud- en zilversmeden. Het vakteekenonderwijs van deze is reeds sedert jaren aan den cursus verbonden en de fabrikanten zijn met dit onderwijs zeer ingenomen. Een fabrikant zendt geregeld een zevental zijner gezellen, betaalt voor hen het schoolgeld en vergoedt hun het tijdverzuim. Het valt echter te betreuren, dat de jonge gezellen zoo vaak te vroeg meenen, dat ze voldoende zijn onderlegd. Slechts enkele brengen het tot zelfstandig ontwerpen, naar eenvoudige opgave. Deze avondcursus wordt in de Ambachtsschool gegeven elk jaar van 15 Sept. tot 15 Maart, zonder dat het Bestuur der school zich met de uitgaven daarvan heeft in te laten. Het schoolgeld bedraagt f 1.~ voor het winterhalfjaar waarvoor gereedschappen, zoowel als materiaal kosteloos worden verstrekt. In Sneek, een stad van 11500 inwoners, zijn ongeveer 11 werkplaatsen van goud- en zilversmeden gevestigd, van deze waren er verscheidene, die ieder met 10 a 12 man werkten. Thans zijn er in het geheel slechts p.m. 30 werklieden, die in het vak hun brood verdienen. Ofschoon deze vermindering aantoont, dat de productie niet is vooruitgegaan, wordt nochtans in Sneek het beste zilversmidswerk in Friesland geleverd. De werkplaatsen van de Haas, van de gebroeders Schijfsma, de gebroeders Reitsma, van de Groot, en Boersma, hebben alle een goeden naam. In 1895 werd er aan inlandsch fabrikaat 672 grammen gouden 524710 grammen zilver aangegeven. Het teekenonderwijs laat in deze plaats zeer veel te wenschen over. Een tiental jaren geleden, bij het 5Ojarig jubileum van den Hoofdonderwijzer J. Visser, hebben zijn oud-leerlingen de handen in elkaar geslagen om aan de klacht van den jubilaris, dat zoovele jongelieden van aanleg, na het doorloopen van de lagere school, bijna nimmer in de gelegenheid kwamen zich verder te bekwamen, te gemoet te komen en hebben een vereeniging gesticht, die zich ten doel stelt jongelieden, in Sneek woonachtig, tusschen 12 en 18 jaar en behoorende tot den minvermogenden stand, die zich door goed gedrag en aanleg onderscheiden, voort te helpen. Deze vereeniging telt thans een paar instellingen,die als donateurs ƒ10.— a f 15. — storten en 40 a 50 leden, die jaarlijks ƒ 2.50 contribueeren. Zij wij goed ingelicht, dan wordt door den Heer Rozenbeek, teekenleeraar aan de normaalschool elken Dinsdag van 10 — 3 uur aan de kinderen van het weeshuis, op kosten dezer inrichting teekenles gegeven. Door bemiddeling van bovengenoemde vereeniging, die met regenten van het weeshuis daartoe een overeenkomst hebben gesloten, wordt tevens door een tiental leerlingen, die in het ambacht practisch werkzaam zijn van deze lessen gebruik gemaakt. Hieronder zijn 5 zilversmeden (zegge 5), die tevens door bemiddeling der vereeniging les in het graveeren krijgen van den graveur van der Meulen, die bij de firma Schijfsma werkzaam is. Ons werd de gelegenheid geboden het graveerwerk dezer leerlingen in oogenschouw te nemen en het kwam ons voor, dat het van de practische zijde flink was aangepakt, doch dat vormen en contouren alsook de keuze der modellen te wenschen overlieten; een natuurlijk gevolg van het onvoldoende teekenonderwijs, dat de leerlingen hebben gekregen. Temeer is het te betreuren, dat in deze plaats geen goed teeken onderwijs gegeven wordt, omdat toch verschillende andere industrieën, voor wier beoefenaars dit onderwijs nuttig, ja zelfs noodzakelijk is, aldaar worden uitgeoefend: onder andere het koperen blikslagersvak, dat voorheen door vele kleine bazen werd beoefend, doch nu voor het grootste gedeelte door de Firma Laumans & Co. in een werkplaats is vereenigd; het vervaardigen van uurwerken, eene industrie, die zeer is achteruitgegaan en zich thans tot enkele beoefenaars beperkt,, terwijl voor de verschillende branchen der in Sneek aanwezige fabrieken, alwaar toestellen voor verlichting, verwarming en bluschmiddelen worden vervaardigd, het teekenonderwijs zeer gewenscht is. En deze nijvere bevolking heeft in de wintermaanden geen gelegenheid teekenonderwijs te ontvangen; het is zeker méér dan tijd, dat dit anders worde! De meermalen genoemde vereeniging heeft zeker wel een duitje overgespaard en met
algemeen overleg en eenige offervaardigheid zullen wel de middelen kunnen gevonden worden, om, zij het aanvankelijk op bescheiden wijze, een teekenschool op te richten. Daardoor zal zeker aan de wenschen van den Heer J. Visser in ruimere mate worden voldaan en Sneek zal er wel bij varen. De Friesche jongens hebben zeer veel aanleg voor artistieken arbeid: dit hebben ze meermalen op verschillend gebied bewezen. De leerlingen uit Friesland, die de Haarlemsche Kunstnijverheidschool bezochten, hebben allen de beste herinneringen achtergelaten. Doch het eerste vonkje moet worden aangewakkerd: verwaarloost men het of laat men het aan het toeval over, dan wordt het vaak uitgebluscht en een knap werkman gaat verloren. Te Heerenveen was tot 1895 de werkplaats van den bekenden drijver R.J. Spaanstra gevestigd, die met p.m. 80 gezellen werkte. Daar zijn zoon te Groningen woont en hij zelf reeds op leeftijd is (p.m. 70 jaar), zoo heeft hij zijn werkplaats naar laatstgenoemde stad overgebracht. Spaanstra werkte veel voor bet buitenland, vooral voor Parijs, nabootsing van oud-zilver en étagère goed. Toen hij in Heerenveen gevestigd was zorgde hij goed voor zijn leerlingen; deze werden door hem in de gelegenheid gesteld teekenles te ontvangen op een vakteekencursus, die door den leeraar in het teekenen aan de R. H. B. S. gegeven werd. Evenals in Sneek is een vereeniging tot opleiding van minvermogende jongelieden van aanleg in Heerenveen gevestigd, waarin de gemeenten Schoterland, Aengwirden en Haskerland zijn opgenomen.Ook hier is het doel, flinke practische mannen te helpen vormen en te bewijzen, dat goed ontwikkelde, wel onderlegde jongens in menig technisch of artistiek vak beter terecht komen, dan in postjes of betrekkingen als kleine ambtenaren. Door het vertrek van Spaanstra heeft de zilversmidskunst te Heerenveen opgehouden te bestaan en kan de vereeniging op dit gebied dus hare krachten niet meer uitoefenen. Dezen winter wordt echter een proef genomen met een cursus voor het aanleeren van houtsnijden, die onder leiding van Tekstra, oud-leerlingder Haarlemsche Kunstnijverheidschool, gegeven wordt. Wij zien dus, dat genoemde vereenigingen de beweging tot verheffing van het ambachtsonderwijs krachtig in de hand kunnen werken en het leerlingstelsel helpen organiseeren, terwijl de herleving van het kunstambacht door hen kan worden aangemoedigd. In de andere Friesche plaatsen vinden wij: Franeker met 4 werkplaatsen, Drachten, Steenwijk en Workum ieder met 2 werkplaatsen, Kalk, Bergum, Kollum, Surhuisterveen, Bolsward en Akkrum ieder met een werkplaats, die tezamen een veertigtal gezellen bezig houden. Het valt te betwijfelen, of de patroons en de gezellen, die in de bovengenoemde kleine plaatsen gevestigd zijn, het vak grondig hebben geleerd; van bizonder werk is weinig bekend en het vermoeden is gegrond, dat deze werkplaatsen, zich in hoofdzaak tot repareeren bepalen. Een vergelijk van vroegere toestanden van dezen belangrijken tak van het Kunstambacht, met de tegenwoordige ligt niet in het bestek van dit verslag. Zeker zal dit niet in het voordeel van het heden uitvallen, iets waarop de aandacht in het algemeen wel mag worden gevestigd.
Schoonhoven
Omtrent de Schoonhovensche zilverindustrie ontvingen wij van zeer bevoegde zijde de volgende inlichtingen: Reeds in de 15'" eeuw waren de goud- en zilverkramen uit Schoonhoven de grootste aantrekkelijkheden op de Friesche jaarmarkten, terwijl de stad reeds in 1502 hare ordonnantiën op het goud- en zilver vak bezat, die zij verkregen had door Philips, aartshertog van Oostenrijk, en welke nog in het archief te Schoonhoven te vinden zijn.Op het oogenblik zijn er 107 fabrikanten werkzaam, terwijl het aantal werklieden op 200 kan worden geschat. Zooals de cijfers aantoonen, staat het aantal werklieden niet in verhouding tot het aantal fabrikanten. De meest uitgebreide fabriek is die van den Heer H. Hooykaas, waarin 82 gezellen werken en die met stoom gedreven wordt, nog een paar andere fabrieken van eenigen omvang zijn aan het werk gebleven, doch de meeste fabrikanten werken met één of twee man of met één leerjongen. De exporteurs geven echter de voorkeur aan de producten van deze verschillende klein fabrikanten, omdat hun handelsvoorraad daardoor meer afwisseling van opvatting en uitvoering verkrijgt. In vroegere jaren bestonden er meer grootere fabrikanten, doch in den gulden tijd der industrie hebben zich vele gezellen zelfstandig gevestigd, omdat ze meenden, meer te kunnen verdienen, terwijl in den tijd der malaise, toen vele groote werkplaatsen werden opgeheven, of de patroons gedwongen waren hun personeel in te krimpen, vele gezellen broodeloos werden en daardoor gedwongen om zich als baas te vestigen. Het gevolg hiervan is, dat de grootste concurrentie in het leven geroepen werd, en de prijzen door de grossiers zeer worden gedrukt, doch tevens, dat een groote routine en practische handigheid in het vak verkregen werd, daar iedere baas slechts één soort van werk maakt, waardoor hij, in het door hem vervaardigde artikel, een bewonderenswaardige bedrevenheid heeft gekregen. Zoo maakt de een bv. zijn geheele leven niets dan flacondopjes, een ander kurken stopjes met zilveren plaatjes en ringetjes, een ander niets dan zilveren oorringetjes, een vierde lepeltjes, een vijfde beursknippen, enz. enz. en het is eigenaardig, dat ieder werkman aan zijn werk een eigen karakter geeft, waaraan hij door een deskundige direct te herkennen is. Er zijn in Schoonhoven wellicht 20 bazen, die niets dan Zeeuwsch knoopengoed maken: oogenschijnlijk gelijkt hun werk op elkaar als twee druppels water, en toch kan iemand, die het vak verstaat en de bazen kent, zonder het verplicht meesterteeken te zien, onmiddelijk den vervaardiger aanwijzen. Sedert 1887 was het aan de controle aangeboden verwerkte zilver steeds dalende, terwijl het uit het buitenland ingevoerde zilver steeds steeg, hetgeen voor de Schoonhovensche industrie zeer bedenkelijk werd. Het ingevoerd buitenlansche fabrikaat bestond voornamelijk uit zeer goedkoop Duitsch werk, broches, belletjes, armbanden, colliers, enz., het zoogenaamde „Frauenschmuck." In 1894 werd te Schoonhoven in den handel gebracht het Zeeuwsch „knoopwerk", nabootsing Zeeuwsen filigrainwerk, broches, oorbellen, armbanden, enz. en van toen af stijgt in dezelfde verhouding het verbruik van inlandsch zilver en daalt de opbrengst van het buitenlandsch zilver. Door een gelukkigen greep word het buitenlandsch werk verdrongen; voor een deel althans, want nog 18 grossiers brengen buitenlandsch fabrikaat in den handel. Een belangrijke tak van industrie is in de laatste jaren ontstaan door het zoogenoemd modern antiek (Old Dutch Works), dat over de geheele wereld, maar vooral in Amerika grooten aftrek vindt en waarvan hier groote magazijnen bestaan. In 1895 werd circa 1.5 miljoen gram modern antiek uit Nederland naar het buitenland uitgevoerd, een groot gedeelte daarvan was in Schoonhoven vervaardigd. Het best bewerkt en kostbaarst fabrikaat kwam echter uit Friesland, alwaar de kunst van het drijven hooger staat. In 1895 werden in Schoonhoven verwerkt 54085 gram goud en 2808140 gram zilver, terwijl uit het buitenland aldaar 68790 gram zilver regelmatig wordt ingevoerd. Deze cijfers toonen aan, dat de Schoonhovensche industrie van groote betekenis is en toch wordt aldaar voor het, vakonderwijs en de opleiding van den leerling weinig of niets gedaan. Een jongen van 12 jaar verlaat de lagere school en komt op de werkplaats; zijn salaris is 40ct per week. De uren door de wet op kinderarbeid als maximum gesteld worden door hem in een benauwd lokaal doorgebracht.Zijn bezigheden bestaan in alles en nog wat. Een blank slaafje voor den meester en diens ega, want huiselijke bezigheden behooren ook al tot zijn opleiding. Daar de wet hem slechts toelaat tot des avonds 7 uur werkzaam te zijn kan zijn bezoek aan do teekenschool (die eerst in April 1890 geopend werd) gedurende de eerste vier jaar trouw plaats hebben. Nauwelijks echter heeft hij den leeftijd, dat de wet zich aan hem onttrekt, 16 jaar, of de jongen bezoekt de werkplaats op de vastgestelde uren van 's morgens 6 tot 's avonds 8 uur. Zijn weekloon is successievelijk gestegen, tot f 2.— a f 2.50; ieder uur verzuim wordt hem daarvan afgetrokken en van verdere ontwikkeling is geen sprake meer. Is de jongen een beetje handig, heeft hij lust in zijn vak, kijkt hij flink om zich heen, dan wordt hij een goede knecht; in het tegenovergestelde geval wordt hij een slechte knecht, maar in beide gevallen is hij zilversmid en blijft hij zilversmid en vindt hij altijd een baas. Een goed werkman verdient f 7.50, een slecht f 4. — , de meesten f 6.— per week. Met overwerk wordt het loon nog iets verhoogd; van 's morgens 4 tot 's avonds 9 uur werk geeft 3 uur overwerk per dag, dat is p.m. f 1.50 per week. Dergelijke toestanden zijn voor de artistieke opleiding van den gezel even weinig bevorderlijk als voor zijn moreele ontwikkeling; als een machine is hij gedoemd zijn dagelijkschen arbeid te verrichten en niemand trekt zich verder zijn lot aan. Reeds jaren geleden, heeft de Heer A. M. J. Moussault, controleur van den waarborg voor goud-en zilverwerken te .Schoonhoven bij het houden van voordrachten over de goud-en zilversmeden in verschillende afdeelingen van Fabrieks- en Handwerksnijverheid in Nederland er op aangedrongen, stappen te doen tot het oprichten van een vakschool voor den toekomstigen goud-en zilversmid, zooals die in Duitschland in verschillende plaatsen bestaat. (Zie Verslag omtrent het Kunstindustrieel Onderwijs in Duitschland, Tijdschrift van de Mij. ter Bevordering van Nijverheid, Hanau en Pforzheim 1898). Hierbij sprak hij de overtuiging uit, dat een dergelijke school alleen goede vruchten kan afwerpen in de bakermat der industrie en wel in Schoonhoven. Bij velen vond dit voorstel een gunstig onthaal; eindelijk is dan ook eenige beweging in deze zaak gekomen en de Nijverheidsvereeniging voor goud-en zilversmeden heeft het oprichten eener teeken- en boetseerschool krachtig ter hand genomen. Dank zij den veelvermogenden steun van den referendaris der afdeeling Kunsten en Wetenschappen, Jhr. Mr. Victor de Stuers, werd vorig jaar een school onder directie van den Heer F. W. Pepe, oud-leerling der normaalschool voor teekenonderwijzers, geopend, die al dadelijk een lOOtal leerlingen telde. Moge deze eerste schrede op den goeden weg door andere gevolgd worden en na verloop van tijd in Schoonhoven een vakschool voor goud-en zilversmeden opgericht worden, die nieuw leven in deze zoo belangrijke industrie zal brengen, alwaar de leerlingen niet als machines worden opgeleid, doch waar zij een ruim overzicht in hun vak krijgen, waar hun verstand en gevoel wordt ontwikkeld om nieuwe denkbeelden te verwezentlijken, nieuwe vormen te ontwerpen en waar hun de schoone en goede voorbeelden der oude meesters onder het oog worden gebracht, om daaruit de zuivere beginselen te putten en in toepassing te brengen. Waar zou deze vakschool beter geplaatst zijn dan in het oord, waar de traditie van het vak zich sinds eeuwen heeft vastgeworteld en als het ware ieder inwoner als goudsmid geboren wordt. Het voorafgaande in aanmerking nemende valt het niet te ontkennen, dat het vak in het centra der goud-en zilverindustrie, Friesland en Schoonhoven achteruit is gegaan. Dat er over het algemeen minder werk aan de markt wordt gebracht is niet aan te nemen, daar de welvaart zich meer algemeen heeft uitgebreid, waardoor de vraag naar het artikel moet zijn toegenomen. De fabrikatie moet zich dus hebben verplaatst.Indien wij met de toestanden van den tegenwoordigen tijd rekening houden, dan staan wij voor twee omstandigheden, waaraan de ambachtsnijverheid in het algemeen onderworpen is. Ten eerste: de verbetering der machineriên en de verdeeling van den arbeid, waardoor de concurrentie bestreden wordt.Ten tweede: de eisenen der artistieke uitvoering, wat betreft vorm, kleur en versiering, waarop de afnemers meer en meer zullen gaan letten. Deze beide factoren hebben steeds groeten invloed uitgeoefend en zullen in de toekomst nog meer invloed uitoefenen, om het winstgevend bestaan der fabrieken en werkplaatsen en vooral die, welke in verband staan met het kunstambacht, te verzekeren.Voor het eerste geval is het de zaak van den ingenieur om de machines te bedenken en van den werkgever om zijne werklieden voor een zeker doel te drillen en den arbeid met tact onder hen te verdeelen. De tweede factor, de artistieke bewerking, verdient zeker in hooge mate onze aandacht on onze zorgen, te meer nog omdat in een behoorlijk ingerichte werkplaats of fabriek van onzen tijd, juist door den grooten omvang, dien de machinale arbeid heeft verkregen, nog maar zelden gelegenheid bestaat, de eerste grondslagen van het vak in zijnen geheelen omvang, grondig te leeren en deze gelegenheid, na verloop van tijd, nog zeldzamer zal worden. In den industrieelen wedstrijd, dien de natiën onderling houden, zal de minst bekwame ten onder gaan, om dezen strijd met gunstig gevolg te kunnen volhouden, en een eervolle plaats onder de concurreerende landen te veroveren, moeten de strijdkrachten goed worden toegerust; door hooge eischen aan de opleiding van enkele begaafde jonge lieden te stellen, zal men het geheele vak verheffen. Want deze zullen later, in bovengenoemden wedstrijd, voorvechters zijn. Is men hierop niet bedacht, dan zal men de handwerksnijverheid zien kwijnen, de bronnen van bestaan, die ze oplevert, zien verdwijnen en de handen, die ze bezighoudt, werkeloos maken. Daarom zijn in Friesland, zoowel als in Schoonhoven vakscholen voor" de goud- en zilverindustrie zeer gewenscht, doch vakscholen, die met eenvoudige middelen werken, die rekenschap houden met de eigenaardigheden der bestaande industrie, die zich op die plaatsen geleidelijk heeft ontwikkeld en vooral met het naive, oorspronkelijke karakter der produkten, dat men moet trachten te veredelen en ontwikkelen. De Haarlemsche school heeft echter een meer bescheiden doel voor oogen, en wel de voorheen bestaande graveercursus, waarin verschillende jongelieden, die thans goed hun brood verdienen werden opgeleid, te vervangen door een cursus voor metaalindustrie, dat wil zeggen de opleiding voor hen, die later in die industrie willen werkzaam zijn. Het eerste leerplan van dezen cursus alsook het plan van organisatie werden in handen gesteld van de commissie der school. Het geeft duidelijk aan, dat hier geen speciale opleiding voor goud of zilversmeden is bedoeld, doch de leerlingen krijgen de eerste opleiding, teekenen, boetseeren en ontwerpen, drijven in verschillende materialen, vooral onedele metalen, enz. Mocht het later blijken, dat deze lessen met het graveeren en stempelsnijden moeten worden uitgebreid, dan kan daarin met betrekkelijk weinig kosten worden voorzien. De Haarlemsche school, die reeds een paar leerlingen van den vroegeren graveercursus voor deze afdeeling beschikbaar heeft, eigent er zich uitstekend toe, om op de meest voordeelige wijze een dergelijken cursus in te richten, omdat de bestaande teeken- en boetseercursus do leerlingen reeds op een aanmerkelijke hoogte kan brengen. Dat er oogenblikkelijk in de centra der industrie nog geen vakscholen zijn, zal geen reden zijn om genoemde inrichting een leercursus voor metaalbewerking te onthouden. Haarlem is evenmin het centrum voor decoratieschilders of houtbeeldhouwers en toch werden reeds in beide vakken een aanzienlijk aantal jonge lieden uit verschillende provinciën van het land gevormd, die thans allen een eervollen werkkring hebben. De, hierachter als bijlagen volgende, verslagen leveren het bewijs, dat de meeste vaklieden de noodzakelijkheid inzien van het oprichten eener vakschool ten dienste der artistieke metaalbewerking. Wij zijn er dus van overtuigd, dat wij daarin bij andere landen ten achteren staan. Hoezeer wij het reeds verrichte ook waardeeren, toch voelen wij de behoefte, dat er meer gedaan worde. De proef, die men hier wil nemen, is niet kostbaar. In de eerstvolgende vergadering van den Raad van Bestuur zal de Commissie van de school omtrent het vestigen van dezen cursus nadere gegevens ter tafel brengen en het zal U blijken, dat met weinig offers, zeer veel nut zal kunnen worden gesticht. Wij koesteren dan ook de hoop, dat met algemeene medewerking deze vakcursus, de eerste op dit gebied in ons land, zal worden opgericht en nemen de vrijheid uw geacht college de verwezenlijking van dit plan ten zeerste aan te bevelen.
* The original article is published in old Dutch. I am indebted to forum moderator 'Oel' for editing the article into its current format.
Trev.